Aal of Paling

AAL of PALING (Anguilla anguilla )
Leefomgeving
De aal of paling is één van onze meest algemene vissoorten. Omdat de aal een
bijzonder groot aanpassingsvermogen heeft en weinig eisen aan het leefmilieu stelt, komt hij
voor in vrijwel ieder watertype, van diepe,stilstaande wateren tot in de bovenloop (de
forelzone) van beken en rivieren. De belangrijkste eis die de aal aan het leefgebied stelt is
dat dit vanuit zee bereikbaar moet zijn en dat hij,als schieraal, hiervandaan weer vrij naar zee
kan trekken.
De lichtschuwe aal is vooral in de schemeringen 's nachts actief. Overdag graaft de aal zich in
de bodem in of verbergt zich in holten in de oever of tussen en onder waterplanten,
boomwortels, stenen of andere obstakels. De aal heeft een voorkeur voor relatief hoge watertemperaturen; tijdens de wintermaanden
vertoont hij dan ook weinig activiteit en trekt zich in een schuilplaats terug, passief wachtend op
een stijging van de watertemperatuur in het voorjaar.

Voortplanting
De aal is een zogenaamde katadrome vissoort, die het grootste deel van zijn leven in zoet water
doorbrengt, maar zich in zee voortplant.Als ‘Leptocephaluslarve' verzamelen de jonge
alen zich aan het begin van het jaar voor de Nederlandse kust. Nadat zij tot glasaal zijn
gemetamorfoseerd trekken zij massaal het binnenwater op, waar zij in enkele jaren tot
volwassen aal opgroeien.
Wanneer de aal geslachtsrijp is geworden, wordt hij schieraal genoemd. De migratie van
schieraal naar de paaigebieden, die waarschijnlijk in de Sargassozee bij de
Bermuda-eilanden liggen, komt in het najaar op gang.

Voedsel
Het voedselpakket van de aal bestaat vooral uit op en nabij de bodem levende ongewervelden,
zoals muggenlarven, vlokreeften, aasgarnalen, waterpissebedden, haften en kokerjuffers. Ook
vis(broed) behoort tot het voedsel. Alen met een lengte van meer dan 35 cm kunnen zich
ontwikkelen tot specialistische vispredator; deze zogenaamde breedkop-alen jagen, net als de
snoek, vanuit een schuilplaats op prooivis. Aal is geen 'lijkenvreter', zoals zo vaak wordt beweerd.
Wel kan de aal stukken afscheuren van prooien die veel groter zijn dan hijzelf door zich in de
prooi vast te bijten en snel rond de eigen as te draaien.

Groei en leeftijd
De aal komt als glasaal het zoete water binnen, waar hij verblijft totdat hij geslachtsrijp is
geworden en verandert in schieraal. Mannetjes worden dit bij een lengte van 30 tot 45 cm,
vrouwtjes in de regel bij een lengte vanaf 55 cm.
Soms blijven vrouwtjes echter veel langer in het zoete water en kunnen dan een beduidend
grotere lengte bereiken. Mannetjes blijven niet alleen kleiner, maar zijn ook eerder geslachtsrijp
dan vrouwtjes. De leeftijd van mannelijke schieraal ligt tussen 5-14 jaar, die van vrouwtjes
varieert van 7-18 jaar.
De maximale lengte van de aal is - voorzover bekend - 1,55 meter; het maximale gewicht 7,65
kg. De aal kan een aanzienlijke leeftijd bereiken. In gevangenschap kan deze vissoort meer dan
50 jaar oud worden. De oudste aal bereikte zelfs een leeftijd van 85 jaar.
De Vissoorten van Nederland