Soortprofiel Karper

KARPER (Cyprinus carpio)
Leefomgeving
De karper is een algemene vissoort in stilstaande en langzaam stromend water. Ook in
relatief snel stromend water komt de karper wel voor, waar hij zich dan vooral op stromingsluwe
plaatsen ophoudt.
Van nature komt de karper niet in Nederland voor. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied
lag rond de Kaspische Zee, van waaruit de karper zich zowel naar het oosten (China, Japan
en Zuid-Rusland) als naar het westen (gebied rond de Zwarte Zee en de Donau) heeft
uitgebreid. Via de Donau heeft de karper zich naar Midden-Europa kunnen verspreiden. Deze
verspreiding werd versneld door de Romeinen, die rond het begin van de jaartelling de karper
uit de Donau of uit Klein-Azië haalden en voor de kweek naar Italië brachten. In de eeuwen
daarna zorgden monniken voor een grote verspreiding van de karper over Europa. Vanaf de
middeleeuwen (de 14e eeuw) kwam de karper, als teelt- en consumptievis, in kloostervijvers
voor.
In de loop der eeuwen zijn er allerlei verschillende variëteiten van de karper ontwikkeld.
Het oorspronkelijk in de middeleeuwen geïntroduceerde en daarna verwilderde type
wordt wilde of boerenkarper genoemd. Hiernaast komen allerlei geteelde variëteiten voor,
zoals schubkarper, spiegelkarper, rijenkarper en naaktkarper.
Omdat de karper zich in Nederland nauwelijks met voldoende succes kan voortplanten om een
populatie in stand te houden, wordt de karperstand in veel wateren door uitzettingen op
peil gehouden. Dankzij deze uitzettingen komt de karper momenteel in vrijwel alle watertypen
voor. In het oorspronkelijke verspreidingsgebied is de karper echter een bewoner van langzaam
stromende rivieren en (afgesloten) rivierarmen.

Voortplanting
De paaitijd valt, afhankelijk van in het bijzonder de watertemperatuur, in mei en juni, maar kan
soms doorgaan tot eind juli. De paai vindt plaats in met zachte vegetatie begroeide ondergelopen
gebieden of in waterplantenvegetaties in ondiep, rustig water, waar de eieren aan de planten
blijven plakken. Ook worden flab en obstakels als stenen en fuiken wel als paaisubstraat
gebruikt; soms worden de eieren op de kale bodem afgezet. Tijdens het paaien wordt een
vrouwtje omringd door een aantal mannetjes die de afgezette eieren bevruchten. Bij een
voldoende hoge watertemperatuur komen de eieren al na enkele dagen uit.

Voedsel
De karper is een omnivoor. De samenstelling van het voedselpakket is sterk afhankelijk van
de aard van het water en van het seizoen. Larven leven van zoöplankton en algen. Dat de
karper is aangepast aan het foerageren op de bodem is al op jonge leeftijd zichtbaar, want bij
een lengte van circa 2 cm beginnen juveniele karpertjes al van de bodem te eten. Het dieet
van volwassen karpers bestaat vrijwel uitsluitend uit bodemvoedsel, zoals insectenlarven,
wormen, kreeftachtigen en weekdieren. Daarnaast wordt ook plantaardig materiaal
gegeten, zoals waterplanten, algen en zaden.

Groei en leeftijd
Van de karperachtigen is de karper één van de snelst groeiende soorten; vooral de
verschillende kweekvormen zijn snelle groeiers.
Bij voldoende hoge watertemperaturen kunnen karpers in oktober van hun eerste levensjaar al
een lengte van 10 cm bereiken. In de regel wordt de karper geslachtsrijp na 3 tot 4 jaar
(mannetjes) of 4 tot 5 jaar (vrouwtjes) bij een lengte van 40 tot 45 cm. De maximale lengte is
120 cm.
De Vissoorten van Nederland